- Coco Fuhri Snethlage werkt als internist in opleiding en is betrokken bij onderzoek naar de relatie tussen diabetes type 1 en het microbioom
- Wetenschappers denken dat de toename van auto-immuunziekte samenhangt met de afnemende diversiteit van het microbioom
- Voldoende vezels eten kan helpen.
Er wordt vaak lacherig over gedaan maar Coco Fuhri Snethlage, internist in opleiding, doet er al jaren onderzoek naar: darmbacteriën in de poep. Volgens haar zijn de darmflora een belangrijke schakel tussen de omgeving en ons lichaam. In de darmen leven meer dan twee biljoen bacteriën, virussen en schimmels, gezamenlijk vormen ze je darmmicrobioom. Het microbioom traint het immuunsysteem. Een verstoring ervan beïnvloedt onder meer het afweersysteem en daarmee ook de ontwikkeling van diabetes type 1.
Momenteel werkt Coco Fuhri Snethlage in het ziekenhuis Noordwest Alkmaar als internist in opleiding. Daarnaast is ze betrokken bij wetenschappelijk onderzoek naar de relatie tussen het microbioom en diabetes type 1, een onderwerp dat nog in de kinderschoenen staat.
De laatste decennia is er een toename van auto-immuunziektes. Heeft dat een link met het darmmicrobioom?
“We zien inderdaad een toename van auto-immuunziektes zoals diabetes type 1, astma en hooikoorts. We denken dat dat mede komt door de afname van de diversiteit van het darmmicrobioom. Vergelijk het met de afname van de biodiversiteit wereldwijd op meerdere vlakken. Dat maakt de aarde kwetsbaar. Het microbioom in de darmen traint onder meer het immuunsysteem. Dit gebeurt voor diabetes type 1 vooral in de dunne darm. We onderzoeken momenteel of de afname van de diversiteit van het microbioom de kans op het ontwikkelen van auto-immuunziektes vergroot.”
Hoe komt het dat het darmmicrobioom minder divers wordt?
“Dat heeft meerdere oorzaken. Denk aan de aanleg van riolering en toename van hygiëne in het algemeen, meer kinderen die via een keizersnede worden geboren, en het overmatig gebruik van antibiotica. Deze ontwikkelingen hebben veel goeds gebracht. In de gezondheidszorg geldt de regel treat first what kills first. Je gaat eerder dood aan een ernstige infectie dan aan een verstoord darmmicrobioom. Maar als keerzijde van de toegenomen hygiëne zijn we een deel van onze darmflora kwijtgeraakt.”
“Daarnaast speelt voeding een rol. De supermarkten liggen vol met ultrabewerkt voedsel. Er worden veel pesticiden gebruikt bij de bereiding van voedsel en mensen eten te weinig vezels. Al deze factoren hebben tot gevolg dat de diversiteit van de darmflora afneemt.”
Wat weet je specifiek over het darmmicrobioom van mensen met diabetes type 1?
“Bij mensen met diabetes type 1 is de samenstelling van het darmmicrobioom anders dan bij mensen zonder diabetes. We hebben ook het darmmicrobioom van mensen met diabetes type 1 die nog wat eigen insuline produceren vergeleken met de darmflora van mensen die geen eigen insulineproductie meer hebben. Ook daarin zagen we verschillen, met name in de darmbacteriën die hormonen produceren die een link hebben met de insulineproductie. Vervolgens zijn we met poeptransplantaties gaan onderzoeken wat daar nu precies gebeurt.”
Hoe gaat dat in z’n werk, een poeptransplantatie, en wat wilden jullie ermee onderzoeken?
“Een poeptransplantatie klinkt vies, maar dat valt in de praktijk erg mee. De ontlasting wordt toegediend met een slangetje in de dunne darm. Mensen proeven of ruiken niets. In het begin deden we het met feces van een donor, maar later bleek dat het beter werkt met poep van de mensen zelf. Het lichaam ageert minder tegen eigen ontlasting omdat het niet lichaamsvreemd is. We halen de ontlasting uit de dikke darm en plaatsen dit terug in de dunne darm. In de dikke darm leven andere bacteriën. De diversiteit is er groter en de zuurgraad en zuurstofconcentratie zijn er anders. Er zitten onder meer bepaalde bacteriën in die belangrijk zijn voor het trainen van je immuunsysteem. Door de terugplaatsing krijgen de mensen nieuwe darmflora in de dunne darm. Wij zijn nu aan het kijken of dat effect heeft op de eigen insulineproductie van de mensen en op het trainen van het immuunsysteem. Ook willen we graag weten welke bacteriën hierbij een rol spelen. Eerdere onderzoeken lieten al zien dat de insulineproductie toeneemt na een poeptransplantatie.”
Hoe komt het dat sommige mensen met diabetes type 1 nog bètacellen hebben die insuline produceren?
“In de eerste jaren na de diagnose maken mensen met diabetes type 1 nog wat eigen insuline aan. In deze zogenoemde honeymoon-fase is het makkelijker om de glucosewaarden te reguleren, in vergelijking met een situatie waarin er geen eigen insulineproductie meer is. We weten niet waarom deze fase bij sommige mensen heel kort duurt en bij andere mensen veel langer, soms wel tot 50 jaar na de diagnose. Daarnaast weten we dat veel mensen met diabetes type 1 nog slapende bètacellen hebben. Deze houden zich verborgen voor het immuunsysteem.”
Is het voor mensen met diabetes type 1 belangrijk dat hun bètacellen nog een restfunctie hebben?
“Zeker. Mensen die een restfunctie hebben, kunnen hun diabetes tot wel 20 procent makkelijker reguleren. Dat betekent dat de dagelijkse strijd om een goede time in range te bereiken makkelijker wordt. Om de complicaties op de lange termijn te kunnen verminderen, wordt geadviseerd te streven naar een time in range van tenminste 70 procent. Voor veel mensen is het een hele struggle om dat te halen. Diabetes is een ziekte waar je nooit vakantie van kunt nemen en als dat dan 20 procent makkelijker te regelen is met een restfunctie van de bètacellen, maakt dat echt een verschil.”
Zijn er momenteel al therapieën om de restfunctie van bètacellen te behouden?
“Helaas weten we nog niet hoe we die restfunctie kunnen behouden. We kijken of we dat kunnen beïnvloeden met de darmflora. Dat doen we nu met poeptransplantaties maar we zoeken ook of dat op andere manieren kan. Als we weten welke bacteriën de restfunctie en het immuunsysteem beïnvloeden, kan bijvoorbeeld gezocht worden naar andere manieren om deze toe te dienen.”
“In Amerika zijn er medicijnen zoals Teplizumab op de markt. Daarmee kunnen ze de diagnose diabetes type 1 uitstellen, maar de afname van eigen insulineproductie niet stoppen. Het middel wordt in Nederland niet vergoed en het is onduidelijk of dat ooit zal gebeuren.”
Wetende dat het darmmicrobioom zo belangrijk is, kun je zelf wat doen om het te verbeteren?
“Met gezonde voeding kun je de diversiteit van je darmmicrobioom verbeteren, maar het is niet zo dat mensen met diabetes type 1 hiermee de restfunctie op een gunstige manier kunnen beïnvloeden. In een studie die binnenkort gepubliceerd wordt, zagen we wel dat mensen die meer voedingsvezels aten, een betere glucosehuishouding hadden. Een vezelrijk voedingspatroon draagt dus bij aan een stabiele glucosecurve. In Nederland haalt vrijwel niemand de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid vezels. De MLD-stichting (Maag Lever en Darm) geeft hierover adviezen. Op hun site kun je ook testen of je voldoende vezels eet.”
Is het voor mensen met diabetes type 1 zinvol om probiotica te slikken?
“Probiotica is een containerbegrip. Er zijn ongeveer tweeduizend typen darmbacterie in het lichaam en van slechts enkele bacteriestammen zijn er probiotica. We weten nog niet welke bacteriën op individueel niveau bij diabetes type 1 het verschil maken, dus ik verwacht niet dat de huidige probiotica veel doen voor mensen met diabetes type 1.”
Stel je zou zelf diabetes type 1 hebben. Wat zou jij dan doen?
“Ik zou doen wat ik nu ook al doe: vezelrijk eten zoals de MLD-stichting adviseert. Daarnaast zou ik me inzetten om toegang te krijgen tot een insulinepomp en continue glucosesensor die samenwerken. Dat ontziet je van veel werk en ondersteunt je bij je diabetesregulatie. Bovendien worden de algoritmes steeds beter. Ze kunnen de glucosewaarden steeds beter voorspellen. Om toegang te krijgen tot innovatieve zorg zou ik daarnaast meedoen aan wetenschappelijk onderzoek.”
Wil je weten welke wetenschappelijke onderzoeken er lopen? Kijk op proefpersonen.nl.
Enkele weetjes over vezels
(bronnen: MLD-Stichting, Mijn Eetmeter app van het Voedingscentrum)
- Per dag heb je tussen de 30 en 40 gram vezels nodig. Nederlanders eten gemiddeld tussen de 15 en 23 gram vezels
- Een product is vezelrijk als het tenminste 6 gram vezels per 100 gram of 3 gram per 100 kcal bevat
- Een product is een ‘bron van vezels’ als het tenminste 3 gram vezels per 100 gram of 1,5 gram per 100 kcal bevat
- Dierlijke producten bevatten geen vezels
- De volgende productgroepen bevatten veel vezels:
- Groenten en fruit, zowel vers als diepvries
- Aardappelen
- Peulvruchten (zoals bonen), in blik en gedroogd
- Noten, pinda’s, zaden en pitten
Volkorenbrood bevat 8,7 gram vezels per 100 gram - Havermout bevat 7,3 gram vezels per 100 gram
- Kikkererwten in blik bevatten 7,3 gram vezels per 100 gram
Gemengde noten bevatten 10,3 gram vezels per 100 gram.