De Wet van kleine getallen is een belangrijk onderdeel van de leefstijl methode die de Amerikaanse arts Richard Bernstein ontwikkelde. Hij kreeg zelf op jonge leeftijd diabetes type 1 en zocht jarenlang naar manieren om zijn bloedsuikerwaarden stabieler te krijgen. Zijn methode wijkt op verschillende punten af van de gangbare richtlijnen, maar wordt wereldwijd toegepast door mensen met diabetes die streven naar stabiele waarden. In dit artikel lees je hoe het principe de Wet van kleine getallen binnen zijn methode past, welke handvatten het biedt en waar je op kunt letten als je ermee aan de slag wilt.
Kleine hoeveelheden kleine kans op vergissingen
De Wet van kleine getallen is gebaseerd op een eenvoudige maar doordachte logica: kleine hoeveelheden, kleine vergissingen. Bernstein vat dit kernachtig samen als: “Small inputs, small mistakes.” Die aanpak helpt volgens hem om het risico op onverwachte bloedsuikerschommelingen te beperken. Een van zijn patiënten verwoordt het effect treffend: “Once the guesswork of how much to inject was replaced by simple calculations, my blood sugar levels became more predictable.”
De Wet van kleine getallen kan in de praktijk een wereld van verschil maken.
In dit persoonlijke verhaal lees je hoe ik, als moeder van twee kinderen met diabetes type 1, via de Bernsteinmethode ontdekte dat het niet de diabetes zelf was die voor hypo’s en hypers zorgde maar de combinatie van voeding en insuline.
🔗 Lees hoe de Wet van kleine getallen hen hielp grip te krijgen
Minder koolhydraten meer grip op bloedsuiker
Het is ontzettend frustrerend wanneer je zorgvuldig de koolhydraten hebt uitgerekend, maar je bloedsuiker toch na de maaltijd stijgt en je in een hyper terechtkomt. Of juist daalt doordat je te veel insuline hebt geïnjecteerd, met een hypo tot gevolg.
Dokter Bernstein pretendeert niet dat je dit helemaal kunt voorkomen. Maar hij laat wel zien dat je invloed kunt hebben op de frequentie en de ernst van die schommelingen — door rekening te houden met de Wet van kleine getallen.
Daarom adviseert hij een lage, vaste koolhydraatinname per dag:
- 6 gram koolhydraten voor het ontbijt
- 12 gram voor de lunch
- 12 gram voor het avondeten
Eén van de redenen voor deze aanpak is dat de hoeveelheid koolhydraten in voeding geen exacte wetenschap is. Er zit altijd een marge in — afhankelijk van het product, de rijpheid, bereidingswijze, of simpelweg de onnauwkeurigheid op het etiket. Hoe minder koolhydraten je eet, hoe kleiner de kans dat zo’n afwijking leidt tot een sterke verhoging van je bloedsuiker.
Koolhydraten zijn geen exacte waarde
Het is vaak een opluchting als er een etiket op een product zit. Dat geeft houvast. Je grijpt al snel naar iets waarbij het aantal koolhydraten duidelijk vermeld staat — dat maakt het berekenen van je insulinedosis net even makkelijker. Verse producten vragen meer gedoe: dan moet je de Eetmeter gebruiken, nagaan of iets rijp of onrijp is, gekookt of rauw, en uiteindelijk ook nog het gewicht bepalen op je bord.
Toch is zo’n etiket minder precies dan het lijkt. De voedingswaarden zijn gemiddelden, geen exacte cijfers. In Nederland mogen fabrikanten op producten zonder voedingsclaim een afwijkingsmarge van 20% hanteren. Dus bij 10 gram koolhydraten op het etiket, kan dat in werkelijkheid tussen de 8 en 12 gram zijn. Als je je insulinedosis daarop afstemt, kan zo’n marge net het verschil maken.
Bernstein wijst erop dat zulke variaties bij een lagere koolhydraatinname minder effect hebben op de bloedsuiker. Volgens zijn methode draagt dat bij aan meer voorspelbaarheid in het dagelijkse verloop.

Rekenvoorbeeld met de Bernstein methode
Bij de methode van Richard Bernstein is de koolhydraatinname per maaltijd bewust laag gehouden. Hij adviseert maximaal 6 gram koolhydraten bij het ontbijt, en 12 gram bij de lunch en het avondeten.
Bij een afwijkingsmarge van 20% betekent dat:
- voor het ontbijt: een werkelijke hoeveelheid tussen de 4,8 en 7,2 gram koolhydraten — een verschil van 2,4 gram
- voor de lunch en het avondeten: tussen de 9,6 en 14,4 gram — een verschil van 4,8 gram
Bij een insulineratio van 1 eenheid per 8 gram koolhydraten leidt zo’n variatie tot een insulineverschil van hooguit enkele tienden van een eenheid. Dat maakt het doseren preciezer en de bloedsuiker beter voorspelbaar.
Rekenvoorbeeld bij een koolhydraatrijk voedingspatroon
In veel voedingsadviezen wordt uitgegaan van een koolhydraatinname van 45 tot 60% van de totale energiebehoefte. Bij een energie-inname van 2000 kilocalorieën per dag komt dat neer op ongeveer 225 tot 300 gram koolhydraten.
Verdeel je deze hoeveelheid over drie hoofdmaaltijden, dan bevat één maaltijdmoment gemiddeld 75 tot 100 gram koolhydraten. Bij een afwijkingsmarge van 20% kan de werkelijke hoeveelheid koolhydraten dan variëren tussen de 60 en 90 gram, of tussen de 80 en 120 gram. Dat is een verschil van respectievelijk 30 en 40 gram.
Bij een insulineratio van 1 eenheid insuline per 8 gram koolhydraten, betekent dat een mogelijke variatie van 3,5 tot 5 eenheden insuline per maaltijd. In dit soort hoeveelheden wordt het bijsturen van de bloedsuiker minder nauwkeurig en daarmee ook minder voorspelbaar. En dat kan betekenen dat een hyper of hypo zich moeilijker laat corrigeren dan je had gehoopt of verwacht.
De Wet van kleine getallen geldt ook voor insuline
De Wet van kleine getallen geldt zowel voor koolhydraten als voor insuline. Door minder koolhydraten te eten, heb je doorgaans minder insuline nodig. Dat kan helpen om schommelingen, zoals hypers en hypo’s, beter te beheersen.
Grote hoeveelheden insuline op één injectieplek worden vaak minder gelijkmatig opgenomen. Daardoor kan de werking variëren of vertraagd optreden. Bernstein adviseert daarom om per injectieplek niet meer dan 7 eenheden insuline toe te dienen. Is er toch meer nodig? Dan raadt hij aan om de dosis te verdelen over meerdere injectieplaatsen.
Ook andere factoren beïnvloeden hoe insuline werkt. Denk aan de plek waar je spuit (zoals buik of bovenbeen), de diepte van de injectie, huidtemperatuur of littekenweefsel (lipodystrofie). Zulke variaties zijn lastig te voorspellen. Daarom adviseert Bernstein om insuline in kleine hoeveelheden toe te dienen, verdeeld over meerdere injectieplaatsen. Dat maakt de opname doorgaans voorspelbaarder en vergroot de betrouwbaarheid van de werking.
Bij sommige oudere insulines, zoals NPH, kunnen antilichamen ontstaan die de insuline tijdelijk binden en pas later weer loslaten. Hoewel dit bij moderne insulines zelden voorkomt, onderstreept het wel dat zowel de samenstelling als de manier van toedienen invloed hebben op de betrouwbaarheid.
De Wet van kleine getallen staat niet op zichzelf. Binnen Bernstein’s methode vormt het één van de drie pijlers: naast het vermijden van snelle koolhydraten en het aanhouden van vaste porties en maaltijdfrequentie, is het afstemmen van insuline in kleine, gespreide doseringen een belangrijk onderdeel van zijn bredere strategie.
Leonie past haar insuline zorgvuldig aan volgens de principes van Bernstein. Ze spuit vaker per dag dan gemiddeld, maar ervaart juist méér rust in haar diabetesregulatie.
Zoals ze het zelf verwoordt:
“Sinds ik veel minder koolhydraten eet, zijn mijn glucosecurves veel vlakker en ben ik minder met mijn diabetes bezig. Ik kreeg weer grip op mijn leven en kon weer van dingen genieten.”
🔗 Lees hoe Leonie de Bernsteinmethode toepast in haar dagelijks leven.
Kleine vergissing = kleine correctie
De Wet van kleine getallen draait niet alleen om het beperken van hoeveelheden, maar vooral om het vergroten van de voorspelbaarheid. Een kleine vergissing heeft een klein effect — en is dus eenvoudiger te corrigeren.
Bernstein adviseert om een lage bloedsuiker bij voorkeur te corrigeren met dextro of een suikerklontje. Het effect daarvan is relatief goed in te schatten. Dextro bevat pure glucose die direct via de darm in het bloed wordt opgenomen. Een suikerklontje bestaat uit sacharose (glucose + fructose), en moet eerst worden afgebroken. Beide verhogen je bloedsuiker relatief snel, al is Dextro doorgaans iets sneller en voorspelbaarder.
Hoeveel je nodig hebt, hangt volgens Bernstein af van je lichaamsgewicht:
- Bij een volwassene van 127 kg: stijging van ±0,14 mmol/L per 1 gram glucose
- Bij een volwassene van 63,5 kg: stijging van ongeveer 0,28 mmol/L per 1 gram glucose
- Bij een kind van ongeveer de helft van dat gewicht: stijging van ±0,55 mmol/L per 1 gram glucose
Het effect van dextro op je bloedsuiker hangt dus samen met je lichaamsgewicht. Hoe zwaarder je bent, hoe minder één gram glucose je bloedsuiker laat stijgen. En dus heb je in dat geval ook meer nodig om een hypo te corrigeren.
Een Dextro Energy-tablet in Nederland bevat ongeveer 3 gram glucose. Volgens Bernstein begint je bloedsuiker ongeveer 3 minuten na inname te stijgen, en is het effect na 40 minuten uitgewerkt.
Benieuwd naar de leefstijl methode van Richard Bernstein?
De Wet van kleine getallen is één van de pijlers van de leefstijl methode die Richard Bernstein ontwikkelde. Hij combineerde een strikt koolhydraatarm voedingspatroon met nauwkeurige insuline-afstemming — met als doel om bloedsuikerschommelingen te beperken.In het volgende artikel lees je waar zijn methode op gebaseerd is, hoe ze verschilt van reguliere richtlijnen, en wat gebruikers én critici ervan vinden.
🔗 Lees: Leefstijl methode voor diabetes volgens Richard Bernstein
“One of the prime intents of this book is to give you the information you need to learn how to predict your blood sugar levels and how to ensure that your predictions will be accurate. Here the Laws of Small Numbers are exceedingly important.”
Richard K. Bernstein
Diabetes Solution
Een complete gids voor het bereiken van een normale bloedsuikerspiegel.
Ja dat boek wil ik lezen! →Laatst herzien op: 21 april 2025